Quid tum? Ik denk dat wij allemaal weten wat Kiers op dit moment zou zeggen. Hij zou ons vragen waarom wij in tranen zijn – hij zou ons vragen of wij niet weten dat de naam van de rivier die ons wegrukt Leven is, en dat eius ripa mors. En dan zou hij eraan toevoegen – en wie zich onder zijn gehoor heeft bevonden, zou weten dat hij Dante citeerde – dat de rivier niet homologeert, niet gelijkmaakt, zij vervormt niet iemands trekken.
In de stroom van het Leven komen zij voorbij die hier en daar zijn neergesmeten, die zich vastklampen aan opgeblazen en lege zakken, die wanhopig zwemmen enkel om te overleven – en anderen die daarentegen weerstand bieden, die zich toevertrouwen aan de planken van de bonae artes, die beginnen aan de bouw van de naviculae. En van niemand houden de Goden meer dan van hen: van niemand meer dan van hen die worstelen om ons bootje te loodsen en om die planken te herstellen.
En Kiers zou ons zeggen dat dit labor improbus is, een zo moeizaam werk dat het onrechtvaardig lijkt: bouwen terwijl je gaat, bouwen in de tijd, bouwen met de ons toegemeten tijd. 'Niets is moeizamer dan leven en we moeten het aanpakken met handen en voeten, met alle lef, met alle vakkundigheid en overleg.' De rede is niet toereikend, net zo min als de ervaring, we hebben handen en voeten en lef nodig om de zeilen onophoudelijk op te doeken en te ontrollen in alle stormen, in alle voorspoed en in alle tegenslag. Improbus labor, zonder toeschouwers, die geen toeschouwers toelaat. Niemand is vrij van de vicissitudo die ons allen dwingt, die wij allen zijn. En die wisselvalligheid noopt tot een voortdurend oefenen, tot een onafgebroken verandering, tot een weten op grond van indicies en gissingen.
In zo'n weten was Kiers een meester – niet van grondslagen en zekerheden. Maar hij onderwees ons in het onnadrukkelijke, zonder een spoor van holle retoriek. Hij bevestigde het met ironie, en daardoor des te krachtiger: omdat ironie de hardnekkigheid van het vragen stellen inhoudt, en afstand en matiging van het pathos. Kiers leerde ons dat de deugd zelf, de oefening zelf dezelfde wortels heeft als het ongeduld en de rusteloosheid die ons kwellen, dat het schrijven een uiting is van de principes van die verwachting, dat onrustige verlangen, die ontevredenheid met het leven waarvan wij ons zouden willen bevrijden.
Kiers leerde dat ons wisselvallige zijn beantwoordt aan de noodzaak onszelf te maskeren, onszelf te vermommen als anderen, om alles te vervormen. Kiers leerde ons dat de kracht die ons vernieuwt en voortdrijft dezelfde is als die ons voortsleept. Hij leerde ons wat het moeilijkst van alles is: de kunst van het ontnuchteren, tezamen met hoop en geloof in een wereld die leeg van dit alles is. De ontnuchtering die plotseling optreedt bij de dood van geloof en hoop.
Het gaat u goed!
- REDACTIONEEL-
Dinsdag j.l. is Kiers ons ontvallen. Voor ons gevoel was Kiers van ons allemaal. In de realiteit was Kiers slechts alleen Kiers. Juist die Kiers zal gemist worden.
Lange briefwisseling deelden wij, enkele malen spraken wij elkaar telefonisch. Altijd was het intens, fijnbesnaard en diepzinnig - hoe kort of lang de conversatie ook duurde. Toch hebben we maar van een fractie van de persoon Kiers gezien. De rest zal voor altijd besloten blijven in de sluiers van de eeuwige mist.
Enkele andere verwijzingen en afscheidspostjes vindt u hier, hier en hier. Maar ook hier, hier en daar.