Tegenover ons woont een raar vrouwtje. Ze heeft nogal vreemde gewoonten. Soms staat ze lange tijd voor het raam onbeweeglijk naar ons huis te staren. Het zou me niets verbazen als ze ook niet met haar ogen knippert. Vriendin J., die het tafereel eens mocht aanschouwen, kreeg er koude rillingen van.
Als ze het op haar heupen krijgt, kijkt ze er boos bij en steekt haar middelvinger op. Let wel, we hebben nog nooit een woord met haar gesproken! Los van haar eigenaardige omgangsvormen is ze oerlelijk. Maar daar kan ze vast weinig aan doen.
bewegende en ik hebben haar De Trol gedoopt. Op dagen dat ze het erg bont maakt, heet ze De Takketrol. Zonder tussen-n, ja.
Bij De Trol woont een jongetje. Hij is een jaar of tien. We gaan er gemakshalve van uit dat het haar zoontje is, hoewel we ons weinig kunnen en willen voorstellen bij het idee dat De Trol ooit (waarschijnlijk per ongeluk) zwanger is geweest.
Het jongetje speelt nooit buiten. Hij zit dagenlang voor de TV of de spelcomputer. Af en toe wordt hij gelucht en zien we hem op het balkon, waar hij buren en voorbijgangers bekogelt met waterballonnen of papieren pijltjes naar hen schiet. De Trol zegt er nooit iets van, sterker nog: ze moedigt hem aan.
We verzinnen er natuurlijk allerlei verhalen bij. Het jongetje is haar zoontje niet, De Trol heeft hem uit een wandelwagen gepikt toen zijn biologische moeder niet oplette. Het jongetje terroriseert De Trol en ze is doodsbenauwd voor hem. Of De Trol stopt hem 's avonds in een kast en laat hem nooit naar school gaan. We hebben serieus overwogen om Jeugdzorg te bellen.
Soms zien we haar op straat, meestal zonder het jongetje. Ze kijkt ons dan met haar geniepige oogjes aan alsof we haar ooit iets vreselijk misdaan hebben. De Trol is ongeveer 1 meter 45, heeft een woeste bos grijs haar en loopt een beetje krom. De vergelijking met een bejaarde rat is gauw gemaakt.
Vanmorgen was ik op weg naar de bakker, en toen ik nietsvermoedend de hoek om liep kwam ze uit de tegenovergestelde richting. Geen idee wat me bezielde. Maar voor ik het zelf in de gaten had glimlachte ik naar haar. De Trol keek me aan, vertrok haar gezicht in iets dat op een grijns leek en mompelde: 'Hai'.
Brrr.