Vorig jaar schreef ik al eens over van die dagen met van die dingen. Ze komen nog steeds regelmatig voor.
Sinds vorige week maandag reis ik op en neer naar mijn nieuwe werkgevert. Over hoe alles daar reilt en zeilt, ga ik u zeker nog vertellen. In elk geval zat er in die afgelopen week ook zo'n dag.
Rond acht uur in de ochtend, op het Centraal Station van Rotterdam. Het is niet heel erg druk op het perron waar mijn trein binnen luttele minuten zal binnenrijden. Misschien kan ik vandaag zelfs wel zitten! Op een stoel in een coupé, en niet op het trapje in de gang!
Omroepbericht. Er is ergens een sein-/wissel-/iets-storing. In elk geval zorgt de storing voor vertragingen. Mijn trein gaat een minuut of twintig te laat komen.
Wattafak? Dat kan niet hoor, op een van de eerste dagen te laat gaan komen bij de nieuwe werkgevert. Een noodplan graag en wel nu!
Op een of andere manier (als er een noodplan in werking treedt, schakel ik over op de automatische piloot en herinner me later weinig details) beland ik in het Zuid-Hollandse stadje waar ik ook nog een tram moet nemen. De tram rijdt net voor mijn neus weg.
Uiteindelijk ben ik maar een paar minuten te laat. Ik heb een bijeenkomst. Ik ren met jas, tas, map en een beker thee de vergaderruimte binnen. Een van mijn collega's wijst op mijn shirt, maar ik begrijp niet wat ze bedoelt.
Na de bijeenkomst stapt ze op me af. 'Er zit bloed op je shirt. Daar, op je linkertiet.' Tuurlijk. Ik heb een Heel Enge Ziekte en nu bloedt mijn linkertiet. Nader onderzoek wijst uit dat ik een vinger ergens aan opengehaald heb, en dat ook hand en jas bebloed zijn.
Terug op de afdeling ervaar ik een bekend gevoel in mijn onderbuik. Het zal toch niet. Toilet. Het zal toch wel. En geen tampons bij me.
Dan maar even een dames-onderonsje met mijn teamleidster. Gelukkig staat er in een kast een hele voorraad. Fijn, zo'n afdeling met 85 procent vrouwen.
Einde van de werkdag. Ik stap op het station van het Zuid-Hollandse stadje uit de tram. Voor de stationsingang ziet het zwart van de mensen en er is heel veel NS-personeel bij. Dat lijkt me geen goed teken.
Binnen in het station is het zo mogelijk nog veel drukker. Ik baan me een weg naar spoor 3. De helft van de treinen blijkt niet te rijden en de andere helft misschien. Er is ergens een blikseminslag geweest.
Mijn trein komt er zo aan, meldt de omroepdame na een half uurtje. En zowaar! Ik vertrap wat kleine kinderen en bejaarden en, oh joy, ik heb een zitplaats. Ik nestel me eens lekker en praat met het meisje dat tegenover me zit. We zijn blij dat we eindelijk naar Rotterdam gaan!
De omroepdame. Het spijt haar verschrikkelijk, maar de trein waarin wij zitten zal terug gaan naar Amsterdam. Willen we uitstappen alstublieft?
Dit trek ik niet. Ik moet troostvoer. Ik moet een Lion uit de snoepautomaat.
De eerste snoepautomaat is kapot. De tweede, aan de andere kant van het perron, niet. Ik duw geld in het gleufje, en kies nummer 55 Lion. Ik moet van de automaat een andere keuze maken. Want de eerste Lion in het rijtje zit klem.
Uiteindelijk arriveer ik met een stoptrein, waarin ik de hele weg in iemands oksel hangend heb moeten staan en elk godvergeten tussenliggend station heb gezien, in Rotterdam. Tegen half negen ben ik thuis.